Pilot Microcredentials

Na de zomer start de zone Flexibilisering van het onderwijs met een landelijke pilot microcredentials. Maar wat houdt het precies in? Dat lees je op deze pagina.

Ga direct door naar Veelgestelde vragen 

Veelgestelde vragen

Veranderingen in de arbeidsmarkt vragen om bijleren en doorleren, ook in de hogere segmenten. Hierdoor ontstaat nu druk op het hoger onderwijs om kennis te ontsluiten in korter, niet diplomagericht aanbod. Een microcredential geeft een zelfstandige waarde aan een kleinere onderwijseenheid. In de pilot lanceren we microcredentials in het Nederlandse hoger onderwijs voor brede doelgroepen, zoals professionals en mensen die op zoek zijn naar werk. Ook mensen die vanuit een eigen interesse onderwijs willen volgen, kunnen microcredentials behalen. Modules of andere kleine onderwijseenheden passen vaak beter bij de flexibiliteit die werkenden nodig hebben. Ook kunnen ze sneller ontwikkeld worden en zijn ze geschikter om aan te sluiten op een snel veranderende werkcontext en leervraag van professionals. Zo versterken we een deel van het LLO-aanbod. De (h)erkenbaarheid van microcredentials maakt het aantrekkelijk voor zowel de arbeidsmarkt als de instellingen zelf.

Professionals hebben vaak behoefte aan specifieke bij, op- of omscholing. Niet per se aan een volledige opleiding met graad, wel aan de erkende kwaliteitswaarde ervan. Aan up-to-date, hoogwaardige kennis uit het portfolio van een instelling, die in een kleinere eenheid wordt aangeboden.

De microcredential voegt een kwaliteitskeurmerk toe: de (betalende) deelnemer/werkgever kan erop aan dat de cursus zo is opgezet dat leeruitkomsten bereikt worden.

Als iemand met succes de leeruitkomsten van het (bij de microcredential behorende) onderwijs heeft behaald, kunnen derden (arbeidsmarkt, instellingen, etc) erop aan dat deze persoon ook echt de bij de microcredentials behorende kennis of vaardigheden beheerst. Ook is het behalen van deze leeruitkomsten herleidbaar en controleerbaar. Daarnaast zal er een landelijk geregistreerd worden wie welke microcredential heeft behaald.

Door de erkende waarde van microcredentials, krijgen professionals meer regie over hun eigen ontwikkeling. Ze kunnen door de jaren heen, bij verschillende opleidingen en instellingen een ontwikkelpad vormgeven. Ze zijn zich ervan verzekerd dat behaalde leeruitkomsten ook elders worden erkend, zodat ook de mogelijkheden om voort te bouwen op reeds verworven kennis, vaardigheden en houdingen zich openen.

Nee, het aanbod voor de LLO markt kan natuurlijk veel breder zijn en meer vormen omvatten. Er kunnen zeer verschillende redenen zijn diverse vormen en inhouden aan te bieden, een kort seminar over groepsdynamiek is voor iemand die een minder diepe leervraag heeft misschien voldoende. Echter geldt dat alleen cursussen die aan de kwaliteitseisen van een microcredential voldoen leiden tot een erkend certificaat met een herkenbare waarde.

  • Actieve participatie bij de uitwerking van het concept van de microcrendentials
  • Aanbieden van microcredentials (vanuit huidig of nieuw ontwikkeld onderwijs) op basis van het kwaliteitskader
  • Inregelen van kwaliteitszorg voor microcredentials conform het kwaliteitskader en bereid om daarmee te oefenen en dit te evalueren
  • Organiseren van administratief en technisch proces rondom het uitreiken van microcredentials
  • Officieel aanbieden en uitreiken van microcredentials
  • Evalueren en delen van kennis rondom microcredentials met andere aangesloten instellingen bij de pilot

Veel van de betrokkenen in het voortraject zijn het erover eens dat landelijke afspraken nodig zijn op de inhoud en vorm van microcredentials. Er zijn echter verschillende meningen over de omvang, met name over het minimum aantal EC (studielast 1 EC is 28 uur). Eén optie is om voor zeer kleine onderwijseenheden (minimaal 0.5 – 1 EC) microcredentials uit te geven. Dit zorgt ervoor dat veel van het huidige (contract)onderwijs gericht op professionals binnen scope is. Het risico bestaat echter dat het microcredentials geen duidelijk profiel geeft, de ‘zelfstandige waarde’ niet zoveel omvat en dat het lastig is om het in te kunnen brengen in vervolgonderwijs, laat staan te kunnen stapelen tot een volwaardige opleiding. Ook zou het een enorme administratieve last kunnen opleveren, waaronder voor examencommissies. Voor kleine onderwijseenheden van 0,5 – 1 EC kan wel gebruik worden gemaakt van Edubadges om de opgedane kennis en vaardigheden aan te tonen. In dit geval wordt dat niet gezien als een microcredential.

Om instellingen de vrijheid te geven microcredentials in te passen in hun onderwijsaanbod is het in ieder geval van belang om de scope niet te veel te beperken. Een microcredential met omvang van minimaal 3 ECTS geeft een substantiële leeruitkomst en is qua studielast nog te combineren met werk. Daarnaast kan 30 ECTS gelden als maximum, omdat er anders al bijna tegen een eenjarige opleiding aanzit. . Deze omvang staat bij een groot deel van de instellingen gelijk aan een minor en daarmee is een grotere omvang moeilijk meer micro te noemen.

Gedurende de looptijd van de pilot zullen we met in samenspraak met de deelnemende instellingen nauwlettend in de gaten houden of deze kaders werkbaar zijn en tot de gewenste resultaten leiden. Indien gedurende de pilot blijkt dat het minimum en maximum aantal niet werkt, kan in samenspraak met de stuurgroep van het Versnellingsplan en de koepels besloten worden dit aan te passen.

Het doel van de pilot is om instellingsbreed samen te werken aan een stelsel waarbinnen microcredentials een erkenbare en herkenbare waarde hebben. Door samen op te trekken en te werken vanuit een gedeelde taal en een gezamenlijk kwaliteitskader, krijgen de microcredentials een zelfstandige waarde.

Leeruitkomsten omschrijven wat een lerende verwacht te weten, te kunnen en te begrijpen. Belangrijk om op te merken is dat het bij leeruitkomsten gaat het “om de uitkomsten van het leerproces, los van de onderwijsinhoud en het curriculum, de studieomvang – en belasting, de studieduur, de organisatie van het onderwijs, de wijze van instructie en waar en hoe het onderwijs gegeven wordt” (Van Delft, 2020, p. 2). Een leeruitkomst beschrijft, met andere woorden, datgene wat iemand weet en kan doen na succesvolle afronding van een leertraject.

Dat wil dus ook zeggen dat leeruitkomsten die zijn behaald in een met microcredentials gecertificeerd programma bij de ene instelling, ook als zodanig worden erkend bij dezelfde instelling of door een andere instelling. Met een microcredential kan een deelnemer bijvoorbeeld aantonen dat bij instroom in een programma of een andere microcredential vereiste voorkennis aanwezig is. Ook zullen leeruitkomsten die overlappen met een geaccrediteerd programma bij inschrijving in het programma mogelijk kunnen leiden tot vrijstelling. De vrijstellingen worden niet automatisch toegekend, maar moeten aangevraagd worden bij een daartoe aangewezen orgaan van de instelling, zoals een examencommissie.

Leeruitkomsten beschrijven wat een lerende geacht wordt te weten, te begrijpen en te kunnen toepassen na afronding van een leerperiode (zie NVAO en Tuning). Binnen de pilot onderzoeken we hoe we op een zo eenvoudig mogelijke wijze invulling kunnen geven aan de beschrijving van de leeruitkomsten, in lijn met de uitgangspunten van de NVAO.


De pilot microcredentials is een eigen initiatief van de VH en VSNU. We nemen in de pilot de lessen en inzichten die tijdens het Experiment Leeruitkomsten zijn geleerd mee in onze pilot en bouwen waar mogelijk erop voort. Tevens zoeken we met de pilot aansluiting bij de Europese en landelijke ontwikkelingen (denk aan de wettelijke verankering van het experiment leeruitkomsten) wat betreft het werken met leeruitkomsten.

Het uitgangspunt van de pilot is dat we de kosten voor instellingen beperkt houden. Desalniettemin zullen er kosten gemaakt worden voor een aantal van de bovenstaande activiteiten, zoals het organiseren van de interne kwaliteitszorg voor microcredentials en het

vormgeven van een administratief proces. Ook zullen er projectkosten gemaakt worden om deel te nemen aan kennisdeling en evaluatie van de pilot. Het Versnellingsplan zorgt daarom voor een stimuleringsregeling. Met dit veranderbudget wordt een substantieel deel van de te verwachten kosten gedekt. Instellingen die vanaf de start deelnemen aan de pilot kunnen gebruik maken van een jaarlijks veranderbudget van €45.000,-.

Dit bedrag is bedoeld als een stimulering voor deelnemers en kan helpen om ‘over het kantelpunt heen te komen’, waardoor microcredentials hun plek vinden in het hoger onderwijs. Zo kan een instelling bijvoorbeeld een projectmanager of kwaliteitsmedewerker bekostigen die de interne kwaliteitszorg organiseert voor de microcredentials, of juist het administratieve proces ontwerpt. Het is de verwachting dat deze kosten met name in het eerste pilotjaar gemaakt zullen worden.

Het Versnellingsteam ambieert een nationaal register voor microcredentials, waarmee flexibilisering van het onderwijs voor professionals stevig verankerd wordt. Het ligt voor de hand dit register te positioneren naast het reeds bestaande diplomaregister, bij DUO. In het verleden heeft DUO hiertoe reeds een verkenning uitgevoerd, die aanleiding geeft tot vervolgstappen. Bij de start van de pilot van het Versnellingsplan zal DUO waarschijnlijk nog niet beschikken over een dergelijk register. Daarom beginnen we met het verstrekken van microcredentials met behulp van de reeds beschikbare edubadges infrastructuur, bij SURF.

SURF edubadges is het enige sector-breed beschikbare platform voor digitale certificaten voor het Nederlandse onderwijs. Edubadges worden op dit platform digitaal verstrekt op een veilige en betrouwbare manier. Het platform maakt het mogelijk dat edubadges onderling vergelijkbaar, uitwisselbaar en stapelbaar zijn. Een edubadge geeft informatie over de inhoud, omvang en het niveau van de behaalde leeruitkomsten. In de edubadges-backpack beheren lerenden hun edubadges en kunnen zij een edubadge delen met werkgevers of andere onderwijsinstellingen. De edubadges zijn gekoppeld aan een instellingsoverstijgende identiteit, het eduID, dat ook na het afstuderen beschikbaar blijft en een leven lang meegaat. De student en de raadpleger van de edubadge kunnen verifiëren wie de uitgevende partij is. Elke uitgegeven edubadge is met één druk op de knop te controleren op echtheid.

Niet alle edubadges zijn microcredentials. Het is als gevolg daarvan denkbaar dat de meta-data van de in het kader van de pilot uitgegeven microcredential een ander formaat kent dan momenteel gebruikt wordt voor de edubadges. SURF is bekend met dit gegeven en is bereid in overleg en waar mogelijk aanpassingen door te voeren voor het uitgeven en beheren van de microcredentials, indien de uitvoering van de pilot dit vereist.

Voordat een instelling met edubadges aan de slag kan moeten enkele voorbereidingen getroffen worden. De instelling moet worden aangesloten op het edubadges-platform. Instellingen die in de afgelopen drie jaar actief betrokken zijn geweest bij de pilot van SURF zijn reeds aangesloten.

Op hoofdlijnen omvat het aansluitproces vier stappen:

  1. Management: Door SURF instellingscontactpersoon (ICP) of SURF bevoegde verantwoordelijke van de instelling (BVI) op het SURFdashboard:
    • De dienst edubadges aanvragen
    • De edubadges-instellingsadmin aanstellen en registreren in het systeem
  1. Juridisch: Grondslagen conform AVG opstellen en publiceren
  2. Toegangsbeheer: SURFconext voor inloggen activeren
  3. Functioneel beheer: Instelling en edubadges-instellingsadmin rol aanmaken in het edubadges-platform en rechten toekennen. Aanmaken van de microcredentials en toevoegen van de meta-data.

SURF beschikt reeds over een stappenplan voor instellingen die willen starten met het uitreiken van edubadges aan studenten. In samenwerking met het Versnellingsplan wordt dit stappenplan geactualiseerd en verder verrijkt ten behoeve van de deelnemers aan de pilot Microcredentials. Dit geactualiseerde stappenplan wordt ook gebruikt voor de ‘Leergang Starten met edubadges’, waarbij pilot-deelnemers worden begeleidt bij de implementatie. SURF rekent geen aanvullende kosten voor deze dienstverlening aan de deelnemers, de edubadges infrastructuur is al onderdeel van de basisvergoeding.

SURF blijft werken aan het verbeteren van het platform, bijvoorbeeld aan de technische integratie met onder andere leermanagementsystemen en studentinformatiesystemen en toevoegen van bulk upload-tools. Ook wordt het uitgaveproces in het platform versimpeld waar mogelijk, bijvoorbeeld door studenten eenmalig toestemming te laten geven voor het ontvangen van edubadges die door de instelling worden uitgereikt. Parallel hieraan werkt het Versnellingsplan samen met SURF, het ministerie van OCW en DUO aan de noodzakelijke stappen richting een formeel nationaal register.

Net zoals bachelors, masters en minoren krijgen microcredentials een herkenbare en erkenbare waarde in het onderwijsstelsel. De behaalde microcredentials worden opgeslagen in een landelijk register – in eerste instantie in edubadges, later mogelijk in RIO. Gedurende de looptijd van de pilot wordt uitgewerkt welke gegevens er op het certifcaat vermeld moeten worden. Te denken valt aan:    

  • Naam deelnemer
  • Naam instelling
  • Naam onderwijseenheid
  • Indicatie niveau op basis van NLQF
  • Indicatie van de omvang op basis van ECTS
  • Verworven leeruitkomsten
  • Behaalde resultaat

De aanloopfase van de pilot start in september 2021. De eerste maanden ligt de nadruk op kennisdeling en (interne) voorbereiding. De instellingen maken zich in deze periode startklaar. De pilot start vanaf januari 2022. Op dat moment is het de bedoeling dat onderwijsinstellingen de eerste microcredentials kunnen aanbieden. Een tweede inschrijfmoment voor instellingen volgt in december 2022. Medio 2023 moet duidelijk zijn of en op welke manier microcredentials duurzaam toegevoegd kunnen worden aan het stelsel. De pilot loopt af in december 2023.

Dat hangt af van het aantal aanmeldingen voor de pilot. Bij voorkeur starten we met een zo groot mogelijke groep, zodat betrokken instellingen vanaf het begin ondersteund kunnen worden vanuit de pilot en onderling kunnen uitwisselen. Ook het draagvlak voor de werkwijze wordt hiermee vergroot. Het is zoals gezegd niet noodzakelijk dat deelnemende instellingen ook bij de start al microcredentials aanbieden. Voor alle deelnemers geldt wel dat hun microcredential(s) nog binnen de looptijd van de pilot (dus voor december 2023) aangeboden en geëvalueerd moeten kunnen worden.

Aanmelding is mogelijk op 2 momenten: aan de start van de pilot en een jaar na de start. Tot aan 1 oktober 2021 kunnen instellingen zich aanmelden voor de eerste ronde van de pilot. Dit verloopt via een ondertekende brief door het CvB gericht aan de projectleider van de pilot. Dit zijn de deelnemers die vanaf de start ook mee kunnen denken over de precieze invulling van de pilot en het kwaliteitskader. Het tweede moment van aanmelden vindt plaats in december 2022. Ook dat verloopt via een ondertekende brief door het CvB. Het is dan niet meer mogelijk gebruik te maken van het veranderbudget.

De Vereniging Hogescholen en VSNU wijzen hun leden op de komst van de pilot en de mogelijkheden voor deelname via hun reguliere kanalen. Zij zullen hun leden ook opnieuw wijzen op deelnemen aan de pilot tijdens het tweede startmoment. Vanuit het Versnellingsplan worden voorafgaand aan de zomervakantie en in de maand september nog extra informatiebijeenkomsten georganiseerd.

Om te voorkomen dat er 15 verschillende projecten ontstaan, met elk hun eigen invulling, is het belangrijk om samen op te trekken. Vanuit een centrale regie op de pilot worden er regelmatig landelijke bijeenkomsten georganiseerd (minimaal vier keer per jaar). Daarin kunnen deelnemers aan de pilot met peers uitwisselen in een klankbordgroep, elkaar helpen en lessen trekken uit hun ervaringen. Ook komt er een centraal Q&A loket voor deelnemende instellingen bij SURF. Voor het overzicht en de onderlinge verbinding wordt een pilotcoördinator vanuit het Versnellingsplan aangesteld. Deze persoon is ook de linking-pin naar de koepels. Daarnaast kunnen instellingen gebruik maken van de stimuleringsregeling.

Uitkering vanuit het stimuleringsbudget, wordt afgehandeld middels jaarlijkse facturatie aan SURF, als penvoerder van het Versnellingsplan.

De pilot komt onder centrale regie van de zone flexibilisering van het Versnellingsplan. Er wordt een projectleider aangesteld die samen met het huidige regieteam inhoudelijke sturing biedt. Ook faciliteert deze projectleider (evt. met ondersteuning) het proces, organiseert de bijeenkomsten voor de deelnemers, het vraagloket etc. De inhoudelijke sturing vanuit het regieteam richt zich op de vraagstukken die gaandeweg op zullen poppen, zoals rondom de kwaliteitszorg en de lessen die uit de monitoring en evaluatie komen tijdens de pilotfase.

Ja, als klankbord. De stap naar microcredentials past immers in een bredere beweging om het hoger onderwijs flexibeler en meer op maat aan te bieden. De komende jaren vinden mede daardoor mogelijk wijzigingen plaats in het huidige stelsel. Denk hierbij aan de wettelijke verankering van het ‘Experiment Leeruitkomsten’ en de ontwikkeling met betrekking tot de Instellingsaccreditatie. Met de pilot sluiten we aan bij deze ontwikkelingen. Daarom wordt

zorgvuldig afgestemd met OCW en NVAO bij de ontwikkeling van het kwaliteitskader en de pilot.

Op Europees niveau werkt men ook aan een verdere uitwerking van microcredentials. De uitwerking van microcredentials kan bijvoorbeeld bijdragen aan het erkennen van elkaars onderwijs binnen het netwerk van Europese universiteiten. Enkele Nederlandse universiteiten werken in dat verband al samen met andere Europese universiteiten. De ontwikkelingen die in Europa gebeuren, zoals het MICROBOL-project, zullen meegenomen worden in de pilot die in Nederland loopt, om op die manier beide ontwikkelingen op elkaar aan te laten sluiten.

RIO staat voor Registratie Instellingen en Opleidingen. Het is een landelijk register waarin onderwijsinstellingen onderwijsaanbod, organisatievorm en onderwijserkenningen- en licenties in vastleggen. Het doel van het RIO is dat alle onderwijsinformatie op één plek komt te staan. Op dit moment is het RIO nog niet beschikbaar voor het hoger onderwijs. De verwachting is dat dit vanaf januari 2022 zal gebeuren. Het informatiemodel van RIO is reeds voorbereid op de komst van de microcredentials. Gedurende de pilot proberen we aan te sluiten bij de kansen die RIO ons biedt.

Het STAP-budget is een persoonlijk ontwikkelbudget voor iedereen. Met het STAP-budget (Stimulans ArbeidsmarktPositie) wil de overheid stimuleren dat iedereen ook tijdens een loopbaan blijft leren. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, kan het STAP-budget ingezet worden om microcredentials te behalen. Dit is echter geen verplichting. Deelname aan de STAP regeling is op geen enkele wijze gekoppeld aan deelname aan de pilot microcredentials.

De exacte wijze van evaluatie hangt onder meer af van de uiteindelijke invulling van het kwaliteitskader en de pilot. Wel is het belangrijk dat voor alle betrokkenen de doelstellingen van de pilot (en waarop monitor en evalueer je?) helder zijn. De evaluatie wordt uitgevoerd door een extern bureau. In de evaluatie van de pilot staan vier hoofdthema’s centraal: de uitwerking van het kwaliteitskader; de verdere juridische verankering van de microcredentials; de raakvlakken met initiële onderwijs; het gebruik van de microcredential door de professional.

Heb je vragen over zone Flexibilisering, neem dan contact op met:

Ulrike Wild    ulrike.wild@wur.nl

Paul den Hartog

Uitgelicht

De volgende projecten, publicaties en producten vind je wellicht ook interessant.
Project
Pilot Microcredentials

Na de zomer start de zone Flexibilisering van het onderwijs met een landelijke pilot microcredentials. Maar wat houdt het precies in? Dat

Publicatie
One-pager Pilot Studentmobiliteit

De zone Flexibilisering werkt momenteel aan de pilot Studentmobiliteit. De zone werkt met SURF, dat de technische infrastructuur voor de pilot ontwerpt en

Deze website maakt gebruik van cookies. Lees hier over onze Coookies